lezing bij de opening van de Expositie Project Kant van kunstenaars van de LKV De Ploegh op 13 oktober 2017
Kant van meerdere kanten
over de vrijheid van de esthetische ruimte

door Eric Brinckmann

Twee specifiek Amersfoortse Kantervaringen heb ik. Ik reed een keer de stad in en zag tot mijn verbazing een grote poster aan een lantaarnpaal geklemd met de titel Kant in Amersfoort, unieke expositie. Buitengewoon verrast was ik, leuk! filosofie midden in Amersfoort. Wel vroeg ik mij af hoe zoiets er uit zou zien, zo’n expositie: een turbulent leven heeft de filosoof Immanuel Kant niet gehad, althans niet zodanig dat je daar met animaties iets spannends van kunt maken, maar toch, misschien wel van zijn ethiek of over zijn esthetiek, wie weet. Leuk en attent van de Amersfoortse cultuurpodia om terecht eens aandacht aan deze wijsgeer te geven. In die zin zeker uniek, dus. Amersfoort als Koningsbergen aan de Zuiderzee of zo, er is altijd wel iets op te verzinnen. Even verder zag ik ‘m nog een keer hangen, zo’n poster, nu had ik even de tijd om de ondertitel te lezen: alle technieken te zien, ook in actie, zowel klos- als naaldkant.

Een tweede ervaring was heel bijzonder, uniek, voor mij althans. De hond aan het uitlaten, liep ik door Birkhoven over een smal zandpaadje tussen een opslag van kersen. Plots, zo’n moment dat iedereen wel eens heeft, begreep ik in een fractie van een seconde de hele filosofie van Kant. Dat is nogal wat in zo’n kort tijdsbestek. Vooral omdat volgens Kant ruimte en tijd bij ons als mens horen en eigenschappen zijn van onze rede, dus tot het denken zelf behoren, was het extra bijzonder. Dat dacht ik op dat moment natuurlijk niet, daar had ik de tijd niet voor en achteraf kon ik het eerlijk gezegd ook niet reproduceren. Als ik dat nu toch zou proberen, lijkt het vast op het resultaat van zo’n gedachte in een droom waarvan iedereen achterover valt, ‘s nachts wereldveranderend, maar in de ochtend bij het opstaan … subliem! zou cabaretier Theo Maassen zeggen, althans van zijn droomgedachte, maar doorgaans: wat minder wereldschokkend. Over dat sublieme overigens, komen we straks nog te spreken.

De gemiste kans voor Amersfoort om iets met Kant te doen en mijn volledige begrip van zijn filosofie, zal ik vandaag in een half uur proberen bijeen te brengen. En dan vooral proberen in te zoomen op de betekenis van Kant voor de kunst. Dit keer niet de onvolprezen klos- en naaldkunst, maar de minder ambachtelijke volprezen beeldende kunst.

Even naar het begin, waarom is Kant belangrijk, en wel zodanig om ‘m vandaag aan de hedendaagse kunst van Ploeghkunstenaars te koppelen? Wel, vanwege zijn Analytik des Schönen, de Ontledingsleer van het schone, het eerste deel van zijn Kritiek van het oordeelsvermogen, de Kritik der Urteilskraft, uit 1790. Dat zegt u vast niet zoveel, want er zijn veel leukere dingen om te lezen, maar het biedt een verrassend perspectief, ook voor vandaag de dag, of misschien wel juist voor nu, anders zou ik u er niet mee lastig vallen. Om daar bij uit te komen, moet ik eerst in de breedte vertellen over zijn werk om op een verantwoorde wijze zijn esthetiek te kunnen belichten. Dat vraagt wat wijsgerige aandacht, dus zet u schrap.

Immanuel Kant leefde van 1724 tot 1804, leefde zijn hele leven in Königsberg, voormalig Oost-Pruisen, het huidige Kaliningrad in dat kleine stukje Rusland aan de Oostzee onder Litouwen. Kant was de Thomas van Aquino van zijn tijd. Hij overbrugde net als deze scholasticus uit de 13e eeuw, een grote theoretische tegenstelling. In de 18e eeuw gingen namelijk twee filosofische stromingen vechtend met elkaar over straat, de empiristen -alle kennis komt uit ervaring voort, we zijn een onbeschreven blad, het denken volgt- versus de rationalisten, alle kennis komt door en vanuit de rede, de ervaring is aanvullend.

Die tweestrijd, die ons nu wat wonderlijk aandoet, moeten we plaatsen in de turbulentie van de tweede helft van de 18e eeuw: reeksen noviteiten verschenen aan het publiek en veranderden in hoog tempo de maatschappelijke biotoop: stoommachines, lucht- en gasbalonnen, nieuwe generaties meetinstrumenten en kijkers, innovatieve wegenbouw, industriele chemie, analytische meetkunde, bliksemafleiders -symbool van de onderwerping van de natuur- maar ook nieuwe maatschappijmodellen, systematisering van kennis via de encyclopedisten en in het verlengde daarvan musea en onderwijsvernieuwing en kennisdistributie: les- en leesmateriaal kwam goedkoop beschikbaar voor tal van doelgroepen. En in het midden ervan, gevolg en generator: de Franse Revolutie.

Een keuze voor één van beide richtingen bepaalde in deze woelige opbouw van nieuwe samenlevingen, verschillen in sociale migratie, beloning, bestraffing of typen onderwijs. Of meer of minder vrije markt. De hedendaagse Angelsaksische opvattingen over de vrije markteconomie, het absolute geloof in de corrigerende werking van concurrentie, is nog steeds een gevolg van een grote invloed van de empirische traditie in het Verenigd Koninkrijk en de VS. In de gezondheidszorg zien we ze allebei terug in een merkwaardige, en naar mijn smaak ongunstige broederschap. Het empirisme zien we terug in het marktdenken van de zorg, dat mijns inziens weinig met een markt van loven en bieden te maken heeft- en het rationalisme in de opsplitsing van het lichaam in aparte faculteiten: voor ieder orgaan of set organen of functies een aparte specialist. Maar het zijn elkaars accenten geworden, want zowel de markt als de techniek hebben kenmerken van beide wereldbeelden. In het nature/nurture debat zien we de klassieke tegenstelling nog pregnant terug, zijn dingen aangeboren of zijn ze aangeleerd, maar is een naklank van wat ooit filosofisch onoverbrugbaar was.

Wij zeggen nu met onze politieke polderscholing al snel, empirisme of rationalisme?; het is vast van allebei wat, en dat is precies wat Kant ook zei, maar als geen ander kon onderbouwen. Hij werkte dat in drie grootse kritieken, ofwel drie analyses, uit: van de zuivere rede, van de praktische rede en, ik noemde hem al eerder, die van het oordeelsvermogen: De Kritik der reinen Vernunft, over het denken en kennen, met als centrale vraag: Wat kan ik weten?, de Kritik der praktischen Vernunft over het willen, met als centrale vraag Wat kan ik doen? en de Kritik der Urteilskraft over het voelen (van behagen of onbehagen), met als centrale vraag Wat mag ik hopen? De zuivere rede is het bovenzinnelijke in ons ofwel het intelligibele, dat is de noumenale wereld, die van de geest. De praktische rede betreft het zintuiglijke, het sensibele, de fenomenale wereld, die van de dingen. Let wel, twee werelden van ratio en empirie die in onszelf vervat liggen en niet zonder elkaar kunnen. Dus geen klassiek dualisme meer, met een werkelijke wereld buiten onszelf. Het oordeelsvermogen maakt de relatie tussen beide werelden in ons, mogelijk. Zoals Aquino vijfhonderd jaar eerder de denkbeelden van Plato en Aristoteles in één denksysteem onderbracht, zo deed Kant dat met het empirisme en het rationalisme.

Kant deed echter meer dan dat, hij draaide tegelijkertijd de werkelijkheid van die dagen ondersteboven en binnenstebuiten. Hij noemde dat, bescheiden als hij was, ‘een Copernicaanse wending’. Waar kwam dat kortgezegd op neer? Zoals ik al zei bij mijn moment van inzicht tijdens het honduitlaten: ruimte en tijd zijn volgens hem eigenschappen van ons, en niet van de wereld, maar bijvoorbeeld ook causaliteit is dat: oorzaak en gevolg. Het zijn manieren waarop wij, mensen, de wereld aanschouwen. Tot dat moment was de algemene vooronderstelling dat wij ons met het denken kunnen richten op de wereld en door onderzoek haar wetmatigheden steeds beter leren kennen en zo gaandeweg achter de waarheid kunnen komen: waarom is dit alles zo, zoals het is, waarom is het er überhaupt? Kant ontkende deze wijze van waarheidsvinding ten stelligste en bewees dat op een bijna wiskundige wijze.

Wat we zien en ervaren voegt zich naar wat wij zijn. De werkelijkheid voegt zich naar wat we kunnen waarnemen. De werkelijkheid die we ervaren is dus onze werkelijkheid, beperkt door wat we kunnen waarnemen. Wat er meer is dan dat, wat velen vermoeden, maar er kennelijk ook is omdat de dingen er nu eenmaal zijn en er niet niet-zijn, daar kunnen we met geen enkele zekerheid iets over zeggen. Als we dat doen dan speculeren we en meestal, zo toont Kant aan in de traditie van Aristoteles met een minutieus logisch systeem van oordeelsvormen met daaraan gerelateerde reeksen categorieën, meestal zegt hij, speculeren we maar wat raak.

Voor ons modernen en post-modernen, Kant is de grondlegger van het modernisme, is deze zienswijze niet zo schokkend als voor de mensen van toen, wij zijn gewend aan het principe ‘it’s in the eye of the beholder’, de verschillen in waarneming van de wereld tussen de mensen zelf is al groot, het is maar hoe je het bekijkt, er zijn meerdere waarheden. Dus de fysische waarneming zal ook wel beperkt zijn, zien kippen niet meer kleuren dan wij? Maar au fond geloven we nog steeds in het kunnen vinden van de waarheid, ons denken gaat toch voorbij het oog? Maar wij bedriegen onszelf als we denken dat we nu met ultrasonische- en nanoapparatuur, nucleaire technieken, astronomische kijkers, radiotelescopen, organische programmering en quantumcomputers Kant ver voorbij zijn en veel meer van die achterliggende werkelijkheid ontdekken. Ha! zou Kant zeggen, jullie weten misschien inmiddels meer, veel meer zelfs, maar het is nog steeds oppervlakte, dus zoals de dingen zich aan ons voordoen en zich naar onze waarneming schikken. Ook al rekken we die waarneming op met hulpmiddelen. We kunnen als onderdeel van de werkelijkheid nooit de omvattende werkelijkheid zelf begrijpen; zeg maar het Von Münchhausen syndroom, dat van die haren en het moeras. Kant krijgt nog steeds bijval, want in de theoretische natuurkunde is het een serieuze optie, dat onze waarneming op een of andere mysterieuze manier betrokken is bij de resultaten ervan. Een van de stellingen is dat het universum geen materie, maar informatie is, dat het universum in de ogen van de waarnemers klopt, omdat de waarnemers op een of andere manier het universum zelf creëren. Klinkt heel abstract, maar we zien het al gebeuren in prozaïsche en verklaarbare voorbeelden op micro-schaal, waar we denken met zogenaamd objectieve wetenschap te maken te hebben, maar zelf de waarneming beinvloeden: muizen blijken bijvoorbeeld anders te reageren op mannelijke dan op vrouwelijke onderzoekers.

Kant noemde dat wat achter de dingen ligt, dat wat we niet kunnen waarnemen, en zich niet en nooit naar onze waarneming zal plooien, het Ding an sich, het ding-op-zich. God dus ook. Kunnen we niet kennen, dus ook niet bewijzen, hij haalde ‘erkende’ Godsbewijzen met een ijzeren logica onderuit, maar, stelde Kant, God is niettemin een nuttige en waardevolle hypothese. Bovendien: God ontkennen heeft overigens ook geen zin, we weten het gewoon niet.

God als een hypothese vervat in geloof. Geloof dat echter voortvloeit uit iets wat we wel kunnen achterhalen in onszelf, net als ruimte en tijd, oorzaak en gevolg, namelijk zedelijkheid. Aan iedere ervaring gaat volgens Kant ook de zedelijke wet vooraf, namelijk dat je in principe altijd moet handelen volgens een regel waarvan je zou willen dat het een algemeen geldende wet zou zijn. En om nou niet direct in een zwart kalifaat te eindigen, voegde hij daaraan onmiddellijk toe dat dat inhoudt, dat je een mens altijd als een doel op zichzelf moet behandelen en niet als een middel voor iets anders. Alle mensen zijn een doel op zichzelf en dat geldt ook voor jezelf. Dat weet je maar al te goed -je wil zelf ook niet iemand anders ‘middel’ zijn- ook al handel je er niet naar. Kort gezegd ‘wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat dan ook een ander niet’. Zie hier de principes van de Franse Revolutie gefundeerd (niet de quillotine-praktijk van Robespierre dus, want die hield zich maar aan de helft van deze wet). Ziehier de basis van het juridisch onderbouwde individualisme met alle bijbehorende rechten en plichten en, heel belangrijk voor ons tijdsgewricht, de theoretische basis voor de Internationale Verklaring van de Rechten van de Mens.

We handelen echter vaak en in veel gevallen helemaal niet naar deze wet, anders dan dat we moeten leven in ruimte en tijd, oorzaak en gevolg. En nu komt er weer zo’n vreemde omdraaiing van Kant: daarom is het je houden aan deze menselijkheid, deze praxis, de feitelijke kern van de menselijke vrijheid. Je kunt er namelijk voor kiezen, het staat je vrij er naar te handelen. Want die vrijheid is niet onderhevig aan een causaliteit, een noodzaak, maar die veroorzaakt dat zelf, eigenlijk uit het niets en daarna ontwerpt het zichzelf, als het ware. Dan handel je als wat de mens ìs, vrij, principieel vrij om zichzelf te zijn als doel in zichzelf. Dat was overigens ook zijn overkoepelende vraag van de drie kritieken: Wat is de mens? Een wezen principieel vrij om zichzelf te zijn als doel in zichzelf.

Kant is dus modernist en moralist. Een modernist, want wij accepteren geen bovennatuurlijke oorzaken meer, en dat is de kern van de Verlichting en dus van onze democratie: wij bepalen onderling zelf wel wat de waarheid is binnen onze menselijke grenzen, daar hebben wij geen door God gepromote koningen of priesters voor nodig: durf je verstand te gebruiken zonder leiding van een ander. Wat buiten onze waarneming ligt daar mag je thuis in geloven en belijden. En een moralist is hij: je bent vrij als je goed doet.

Aquino maakte met zijn denksysteem de weg vrij voor de kunst en de wetenschap. Kants werk bereidde de wereld voor op de moderne, op de individu gebaseerde democratische rechtsstaat. Zijn denken is echter ook het absolute postulaat van het humanisme geworden, dat heeft hem geradicaliseerd: buiten ons is er niets, en als iemand zegt dat er wel iets is, dan speculeert hij, spreekt hij nonsens of is hij aan het kwakzalven. Maar dat is dus niet wat Kant zei, wel dat het Ding an sich niet te kennen is, maar er is tegelijkertijd iets dat aan de dingen voorafgaat, het constitueert, het voedt, het stimuleert, aanzet tot creëren. Dit is wat wel een indirect of apagogisch bewijs wordt genoemd, een bewijs van de onmogelijkheid van het tegendeel. En er is er één plek waar we het dichtst aan het Ding an sich raken, erin geraken, waar we kunnen ontdekken wat dat nou eigenlijk is. Die plek ligt namelijk in onszelf. Wij zijn natuurlijk zelf ook natuur, dus ook een Ding an sich. Als wij onszelf waarnemen, creëren we een voorstelling van onszelf, Selbstzetsung heet dat in goed Amersfoorts, maar anders dan met de andere dingen in de wereld is er nog iets extra’s aan de hand. We ervaren ook in onszelf spontaniteit en vrijheid. Aan een heleboel dingen zitten we vast en moeten we doen, maar er is hoe dan ook een vrijheid tot kiezen. Vrijheid is het geheim van de wereld dat zich althans in ons openbaart. Kant zou het zelf niet de achterkant van het verschijnsel mens noemen, of kennis van het ‘ding op zichzelf’, dat kan nu eenmaal niet, maar hij schuurt er apagogisch tegen aan. Wat minder stringente volgers van Kant zouden zeggen het Ding an sich, dat zijn wijzelf in onze vrijheid. Nou hebben we gezien dat die vrijheid bij Kant nogal moralistisch is, ethisch, maar er is nog een ander domein waar we die vrijheid in essentie kunnen ervaren: de esthetiek. Dan wordt het wat spannender, namelijk de in onszelf besloten productieve verbeeldingskracht (imaginatie) en dan specifiek in relatie tot de kunst. Ik heb al een aanzienlijk deel van mijn half uur verbruikt, we komen hier dan eindelijk uit bij de kunstbeleving.

Kant maakt het gelijk weer concreet. Het esthetische speelt zich af in de manier waarop wij over de wereld oordelen en niet in een vaag gevoel dat niets met het verstandelijke te maken zou hebben. Geen gezweef. Maar, niet alle oordelen zijn natuurlijk esthetische oordelen, daarom maakt hij een verschil tussen een schoonheidsoordeel en een logisch oordeel. Bij een esthetisch oordeel staat namelijk het gevoel centraal en niet het bestaan van het object. Het een is naar binnen en het ander naar buiten gericht. Wat gebeurt er nu precies? Een kunstvoorwerp (of een literaire tekst, of een dansbeweging, of muziek) treft de zintuigen en mobiliseert de verbeelding die die indrukken verwerkt en het verstand erbij haalt om met zijn concepten het tot een geheel te maken. Maar anders dan bij een logisch oordeel gericht op een object, wordt van een kunstvoorwerp geen specifieke kennis beoogd. Het gaat om algemene kennis in het vrije spel van onze kennisvermogens dat een gevoel van plezier, vreugde of, dat herkennen we bij kritische kunst maar al te goed, onbehagen met zich meebrengt. We worden ons op dat moment bewust van deze gemoedstoestand, en nu komt het belangrijke, maar zonder betrokkenheid op het object. Het is met andere woorden een contemplatieve aangelegenheid, we hebben bij het aanschouwen geen praktisch doel voor ogen, (past het rood wel bij mijn blauwe bank, is dat een leuk cadeau voor de buren?) en we hoeven er geen kennis mee te verwerven (vind ik er historische informatie in terug voor mijn onderzoek of kan ik het als plaatje voor mijn presentatie gebruiken?). Je moet als toeschouwer eigenlijk volstrekt onverschillig staan ten opzicht van het bestaan van het object. Dat betekent niet dat je de kunstenaar niet mag kennen of aardig vinden, of het van te voren niet leuk mag vinden om naar een expositie toe te gaan (…), of niet iets zou mogen kopen als het je aanstaat, want over dat laatste, of iets je aanstaat, hebben we het nu juist. Deze interesse in het object tast je esthetische vrijheid niet aan, daarom spreekt Kant bij een schoonheidsoordeel over een belangeloos of vrij welbehagen of welbevallen.

Een esthetisch oordeel gaat dus niet over kennis en is niet object gericht, heeft geen objectieve doelmatigheid. Maar omdat het wel met het verstand te maken heeft, is er sprake van doelmatigheid zonder doel. Het gaat er bij een schoonheidsoordeel dus vooral niet om waaraan het ding moet beantwoorden of waartoe het moet dienen. Zie hier de theoretische basis van het l’art pour l’art principe. Voor beleidsmakers een crime, voor bestuurders een scherp steentje in hun schoen, want alles moet immers aan iets beantwoorden, in te passen zijn en ergens toe dienen. Bedrijven met kunstverzamelingen hebben het weer iets makkelijker, die zien het vaak als investering. De BKR vinden we nu, decennia later in het empirische universum van de markt, een historische abberatie, maar vloeide destijds linea recta voort uit Kants esthetica.

En nu de kunstenaar zelf, die zit in hetzelfde spel van verbeelding en verstand als de kunstbeschouwer, schept ook met de verbeeldingskracht de alledaagse natuur om (de noodzakelijkheden waarin we vervat zijn), wat dus vrijheid betekent, aspect van onze principiële vrijheid ìs om dat te kunnen, maar is pas scheppend op het moment dat de kunst die hieruit voortkomt, die hier tot uitdrukking komt, is verbonden met een begrip. Een voorbeeld: de beeldhouwkunst van Eduardo Chillida en zijn gebruik van het begrip leegte als oningevulde ruimte, het gat, het wit rondom de tekens of de tussenruimte in het object, denk aan die geweldige boogconstructies die elkaar net niet raken. Dat ‘tussen’ brengt het object tot volle betekenis. Zonder dat het iets voorschrijft of wil beschrijven. Dat beeldende principe dat Chillida hier vindt en extrapoleert, brengt de rede tot méér denken, dan dat het begrip uit zichzelf ooit te denken zou geven. Dit verstaat Kant onder het genie van de kunst, citaat (hebben we hem zelf nog even aan het woord): Dus bestaat het genie eigenlijk in de gelukkige verhouding (die geen wetenschap kan leren en die we ons nooit door vlijt kunnen verwerven) om bij een gegeven begrip Ideeën te vinden waardoor de opgeroepen gemoedstoestand aan anderen meegedeeld kan worden. (par. 49 KdU) Dit zal een leidend idee blijven, zelfs als de beeldende kunst het schoonheidsideaal op de schroothoop heeft gezet of op het moment dat conceptuele kunst de norm wordt: de kracht van kunst komt voort uit het idee dat de kunstenaar zijn vrijheid gebruikt om iets te maken wat daarvoor nog nooit op die wijze door anderen is gemaakt. Maar ook bij Kant gaat het niet alleen om het schone.

Er is naast het schone, het gevoel van behagen, nog een andere esthetische categorie die met het gevoel van onbehagen samenhangt, namelijk het sublieme. Ook het sublieme is belangenloos, begripsloos, universeel, noodzakelijk en doelmatig zonder doel. Het gaat hier om het ontzagwekkende, het overweldigende. Dat kan de onmetelijke grootte van het heelal zijn, of noties als ‘eeuwigheid’ maar er is ook de dynamische variant zoals watervallen, orkanen, vulkanen, kolossale bergen, reuzebomen, diepe ravijnen, woeste rivieren. Hier kan het verstand (als instrument van de rede) niet bij, raakt in verwarring, in vrees. Creatieve verbeelding kan niet anders dan aansluiting zoeken bij de rede in het algemeen, het bovenzinnelijke, maar dat leidt niet tot een harmonie waaraan we houvast hebben. Onbehaaglijkheid als resultaat dus, omdat we over de grenzen van onze geest dreigen te gaan. Maar aangezien de rede volgens Kant altijd over de sublieme ervaring triomfeert, komt door die ervaring het bewustzijn op dat we uiteindelijk zonder vrees over deze verschijnselen kunnen oordelen. Dit sublieme moeten we hier ook genoemd hebben, omdat in kunst een sterke traditie ontstaat om ook sublieme aspecten van de wereld te tonen, de toeschouwer te ontregelen met een vorm van verheffing als doel. We hebben niet alleen behaaglijke ervaringen bij het zien en ondergaan van kunst.

Hier kunnen we het bij laten, kunst is kunst om de kunst, klaar. Ware het niet dat dat verdomde Ding an sich veel tijdgenoten en filosofen na hem, behoorlijk dwarszat. Kants oproep om erin te berusten, het onkenbare te accepteren, spoorde op geen enkele manier met de creatieve vrijheid van de kunstenaars die hij zo helder had weten te beschrijven. Met die vrijheid van Kant in het hart van het esthetische kon men wel leven, dat was een mooie vondst en zo werd het ook herkend, maar toch was er die radicale beperkende grens. Een grens die door velen niet zo werd beleefd, ervaren. Tijdgenoot Goethe bijvoorbeeld, had weliswaar bewondering en groot respect voor de Oude uit Königsbergen, maar werd kriegel van het saaie precisie-uurwerk dat Kant had gebouwd. Daar zat geen lichaam in, geen bloed, geen uitspattingen, excessen, geen euforie, geen ondergaan van bossen, meren, bergen, kou, drank, intense liefde en vriendschap. Het lichaam van Kant stond zogezegd buiten het leven, daardoor kon hij in zijn denken die grens eenvoudig niet over. Kant had de menukaart van het menselijke kennen minutieus bestudeerd, maar was zelf niet aan koken, proeven en eten toegekomen. Hij had zijn lichaam, zijn eigen levende Ding an sich niet als grandioos geavanceerd waarnemingsorgaan gebruikt, niet buiten, in de wereld, in de strijd gegooid. Wij zijn als denkend lichaam onderdeel van die natuur zegt Goethe met nadruk, het is buiten en binnen in ons, dus laat die natuur er vooral doorheen stromen, en laat het de creatieve verbeelding de ruimte geven, aanjagen. De rede en het daaruit voortvloeiende logische denken kunnen er altijd wel iets hapklaars of toepasbaars van maken, maar liefst niet in eerste instantie. Een absoluut beginpunt of voorwaarde (apriorisch oordeel of categorie) is de rede voor de ervaring beslist niet, het is er het menselijke aspect van. Het volgt, kijkt, speelt, analyseert, je kunt er zelfs mee kijken tot in de bron, naar waar het ontspringt, direct naar het Ding an sich dus, niks geen scheiding. Als je goed en intens naar de dingen kijkt, ze volgt in hun proces van verschijning, groeien, bloeien en vervallen dan dring je volgens Goethe gaandeweg door in het wezen ervan en dan komt vanzelf te voorschijn wat erin leeft en werkt, wat een plant eigenlijk is, een dier, een berg. Het is niet makkelijk om dat te benoemen, al helemaal niet met wis- of natuurkunde, die beschrijven slechts één kant ervan, de pure bouwstenen, niet het levende zelf. Een kunstenaar is in staat dat levende aspect ervan uit te drukken in taal of beeld of beweging of klank. Een soort op hoger plan gebrachte scheppingsdaad van de natuur zelf, via de creatieve vrijheid van de kunstenaar. De natuur wordt zich via de mens, die het denkende deel ervan is, van zichzelf bewust. Zijn vriend Schiller, ook met groot respect voor Kant overigens, verbond aan deze kunstopvatting van Goethe het begrip Spieltrieb, de drijfveer van het spel, die van binnen noch van buiten een dwang kent, maar alleen spelend werkt. Zintuigen en ratio komen in het spel tot wisselwerking en tot een hoger plan. Vanwege die afwezigheid van dwang -als je móet is het immers geen spel meer- is de mens pas dan compleet en vrij als hij speelt, als hij spelend als totaal organisme functioneert. Deze ware mens is de kunstenaar die de noodzakelijkheid van de materie in een eigen vorm opheft, een subliem spel speelt dus. In deze vrijheid leeft hij in de volle werkelijkheid volgens Schiller, dus ook in de wereld die je volgens Kant niet kunt kennen. De vrijheid is dus niet het Ding an sich, maar dat eigene van de mens waardoor de rede vrij is om een grens te trekken of manieren te vinden om er in door te dringen. Kunst is een mogelijkheid. Het kunstwerk, zo is sinds Goethe en de Romantiek een nog steeds gangbare opvatting, openbaart in zijn vorm dan ook aspecten van die waarheid. Denk aan Piet Mondriaan die in de geest van Goethe met zijn uitgewerkte kleurvlakken op zoek is naar ideale verhoudingen waarin het Ding an sich, in zijn woorden de geestelijke wereld, zicht toont, openbaart. In die zin ook de bijna religieuze emotionaliteit in het werk van Mark Rothko.

Een reeks filosofen, die ik u nu en vooral in deze slotzinnen zal besparen, hebben op hun eigen manier commentaar gegeven op het Ding an sich, dan wel het concreet benoemd. Kortom, Kant is nooit ver weg. Het grappige is dat het Kantiaanse denken een soort maatschappelijke printplaat voor vrijheid en democratie is geworden, maar dat zijn esthetische begrip door de filosofie is opgerekt, transparant, permeabel is geworden en tot mogelijkheid is gemaakt om in de totale beweging van de wereld te stappen. En wel die beweging, die buiten de politieke structuur ligt, buiten de techniek ligt, een beweging die buiten onze zelfgemaakte wereld bestaat. Ofwel, uitnodigt om in en met de kunst uit de technische dwangmatigheid te stappen waarin we verstrikt zijn geraakt en dat vervolgens al spelend te spiegelen of te becommentariëren. Wat dat oplevert gaan we niet invullen, kunnen we niet, heeft Kant ons met nadruk geleerd, want dan wordt het weer instrumenteel, is het geen esthetische ervaring. Maar dat het nodig is om de wereld in een andere beweging te houden dan die we onszelf voorschrijven, is evident.