Robin Tan
was mede-oprichter en financieel hoofd van poppodium De Kelder (1989-1997),
medewerker van het festival Etcetera/La Strada (1994-1995) en gemeenteraadslid (1995-2006)

 

Het is een illusie om te denken dat je bij de ontvouwing van een cultuurvisie alle kunstminnende handen op elkaar krijgt. De verschillen tussen de artistieke disciplines, tussen de doelgroepen die een kunstenaar wenst te bereiken, tussen de karakters van de kunstenaars zelf, zijn daarvoor te groot. Een overheid, in ons geval de gemeente Amersfoort, kan geen visie afleveren als er daarin geen keuzes worden gemaakt. De “Cultuurvisie 2018-2030”, die onlangs door onze gemeenteraad is vastgesteld, bevat weliswaar een lovenswaardige opsomming van de kwesties waar het bij een cultuurbeleid om draait, maar mist een duidelijk perspectief vanwaaruit een cultuurbeleid in Amersfoort kan worden vormgegeven. Welbeschouwd is er dus geen sprake van een visie.

Dat zou wel zo moeten zijn, te meer daar Amersfoort ten opzichte van vergelijkbare gemeenten een achterstand heeft in te halen waar het de besteedbare budgetten voor de kunsten betreft en ook een duidelijk cultureel profiel binnen de Nederlandse ‘salad bowl’ van steden, gewesten en artistieke disciplines ontbeert. Hoewel mijn bemoeienissen met het gemeentelijk cultuurbeleid en mijn activiteiten in ‘het veld’ zelf door het voortschrijden van de jaren wat sleets is geraakt, heb ik me de afgelopen maanden vanaf een afstandje toch een beetje bemoeid met de discussies die vooral in de sociale media plaatsvonden. Het meest opvallende vond ik daarin, dat er slecht naar elkaar geluisterd wordt en langs elkaar heen wordt gesproken, terwijl vanuit de raad vrijwel niemand de moeite heeft genomen om ook maar één reactie te plaatsen. Geen wonder dat veel mensen die bij de sector betrokken zijn het dan maar op eigen houtje proberen voor elkaar te krijgen.

Het is echter geen goede opstelling, want de kunsten spelen zich niet af op een geïsoleerd eiland, maar zijn integraal en noodzakelijk onderdeel van de samenleving, iets wat het stadsbestuur en de daarbinnen bedreven politiek ook zou moeten zijn. Bestuur en politiek enerzijds en kunstdocenten, -presentatoren en –producenten anderzijds kunnen niet zonder elkaar. Het is daarbij naar mijn mening wenselijk dat de laatsten de regie in handen houden door duidelijk te kunnen maken wat met wil, voor wie men het wil, waar men het wil en hoe men het wil. De eersten, bestuur en politiek dus, hebben niet alleen de taak dit alles mogelijk te maken (d.w.z. faciliteren), maar ook om aan te geven binnen welke kaders dat mogelijk moet zijn (d.w.z. kaderstellend en richtinggevend).

Ik had zelf in mijn recente, afstandelijke bemoeienissen een aanzet gegeven voor een cultuurvisie voor onze stad. Daaruit geef ik hier, door ‘voortschrijdend inzicht’ in aangepaste vorm, de negen stellingen die wat mij betreft kaderstellend en richtinggevend zouden moeten zijn bij het faciliteren van wat er aan kunsten in Amersfoort leeft (toch nog een beetje ambtelijk jargon van mij …).

1. Kunst is een integraal onderdeel van onze samenleving en geen overbodig hebbedingetje dat je wel kunt weggeven of weggooien.

2. Amersfoort kan en moet zich niet willen spiegelen aan de grote cultuurcentra van de Randstad, noch aan de provinciesteden die over een groter verzorgingsgebied dan Amersfoort beschikken. Cultuurbeleid moet op Amersfoortse maat (Amersfoort is onderdeel van de Randstad en dat betekent ook dat er meer concurrentie van nabijgelegen plaatsen is).

3. De (ook door de gemeente) geconstateerde tekortkomingen van Amersfoort als centrum van kunst en cultuur kunnen deels worden weggenomen door meer verband te leggen met de ‘gestolde’ cultuur van de historische binnenstad, de architectuur en structuur van de buitenwijken en het omliggende, gevarieerde landschap (dat geheel een cultuurlandschap is).

4. De rol van de overheid is kaderstellend en richtinggevend en daarbinnen faciliterend.

5. De kunstenaar (ik bedoel hiermee zowel docenten, artiesten als producenten mee) die meent het alleen af te kunnen, of althans zonder ondersteuning van de overheid, hoeft van die overheid niets te verwachten. Diezelfde overheid moet voor zulke kunstenaars wel de deur openhouden, mocht de kunstenaar van mening veranderen. De kunstenaar die wel een beroep op de overheid doet, moet ervoor zorgen zelf de regie in handen te houden door duidelijk te maken wat hij wil en waar, door wie, wanneer en hoe. “It takes two to tango” en de kunstenaar moet de dans leiden.

6. Geforceerde betrekking van culturele minderheden (in de breedste zin van het begrip) is een illusie en tot mislukken gedoemd, behalve wanneer het gaat om cultuureducatie.

7. Een zekere “onthokking” moet plaatsvinden door veel aandacht te besteden aan multidisciplinaire voorstellingen en evenementen. Je zou kunnen denken aan een nieuwe, ‘uitgevonden traditie’ analoog aan bijvoorbeeld het Oerolfestival, maar dan toegesneden op de Amersfoortse maat en de Amersfoortse karakteristieken. Ook geldt: winst betaalt verlies en aankomend talent (niet per se jong talent, zoals het meestal wordt uitgelegd) naast gevestigde cultuur.

8. De kunstzinnige benadering is ook een afzonderlijke benadering van de werkelijkheid en daarmee een kennissysteem op zichzelf. Wil een stad als Amersfoort anticiperen op toekomstige maatschappelijke ontwikkelingen, dan hoort de kunstzinnige benadering naast de andere (wetenschappelijke, alledaagse, ideologische) er onlosmakelijk bij: “using the best knowledge available from all perspectives”. Hierbij hoort ook dat al die perspectieven naast elkaar bestaan of in elkaar overlopen. Op functioneel niveau kan gesproken worden van een drie-eenheid kunst, wetenschap en onderwijs, met gebruikmaking van elkaars ‘hardware’, d.w.z. de accomodaties.

9. Kunsteducatie, ten slotte, moet een integraal onderdeel van het lespakket vanaf de basisscholen zijn en bijdragen aan burgerschapsvorming. Dit moet bij voorkeur uitnodigend gebeuren en niet dwingend in de zin dat jonge mensen in de richting van een heersende kunstopvatting worden geduwd.

Nog een opmerking ter afsluiting: het is zot om een prestigieus, nieuw cultuurcentrum (of het nu een museum is of niet) op te richten als daarvoor geen voldoende lokaal draagvlak voor bestaat, een draagvlak dat zich kenmerkt door voeding van dat centrum. Laten we eerst eens proberen om in Amersfoort actieve kunstenaars aan de stad te binden door vrije expositie- en expressieruimtes te creëren, ook overdrachtelijk in de bestaande, culturele ‘basisvoorzieningen’. Het is ook kortzichtig om je te richten op “voor elk wat wils” en de nadruk op “breedtekunst” (= mainstream) te leggen. Als Amersfoort bekendheid zou verwerven binnen een (inter)nationale subcultuur die van heinde en verre voldoende belangstelling genereert waar er lokaal een ‘rendabele’ belangstelling ontbreekt (daarvoor is het een subcultuur), dan is het ook goed.